Nieuws uit de werkvelden

In de Vlaamse stad Gent wordt sinds 2013 geëxperimenteerd met de 'Leefstraat'. Bewoners maken hun straat in onderling overleg tijdelijk autovrij of autoluw om ruimte te maken voor groen, ontmoeting en samenleven. Het doel van dit experiment is om te tonen en te ervaren dat een andere benadering van de straat en de openbare ruimte mogelijk is. De ervaringen worden verwerkt in het gemeentelijk beleid dat is gericht op een transitie naar een klimaatneutrale stad.

In 2014 waren er 10 verschillende leefstraten in Gent. Het experiment wordt in 2015 overgenomen door Rotterdam. Daar gaan de leefstraten 'droomstraten' heten.

Kijk hier voor meer informatie over de leefstraten in Gent en hier voor het laatste nieuws over de Rotterdamse droomstraten.

 

Lees meer...

Uit onderzoek van Mirka Janssen (Hogeschool van Amsterdam) blijkt dat kinderen meer gaan bewegen als de ruimte op het schoolplein eerlijker wordt verdeeld. Janssen ontving voor haar onderzoek op 8 april de Volksgezondheidsprijs van de Vereniging voor Volksgezondheid & Wetenschap.

Voor veel kinderen is de schoolpauze het enige moment van de dag dat zij bewegen. Maar een groot aantal kinderen is niet fysiek actief, omdat zij daarvoor de ruimte niet krijgen. Janssen onderzocht het door VUmc en Hogeschool van Amsterdam ontwikkelde bewegingsprogramma PLAYgrounds. Met dit programma verdubbelde het percentage basisschoolleerlingen dat voldoende beweegt tijdens het speelkwartier van 38,7% naar 77,3%. Juist de minder goede bewegers en de meisjes van 10 tot 12 jaar, die minder bewegen, worden extra actief.

Mirka Janssen legt uit waarin PLAYgrounds zich onderscheidt van andere schoolpleinformules: ‘Alleen het schoolplein anders indelen werkt niet, want een aantal kinderen is dominanter aanwezig en neemt meer ruimte in. De wettelijk bepaalde ruimte voor de gemiddelde kip in Nederland is relatief gezien groter dan die van de meeste kinderen op het schoolplein. Het is daarom nodig om de bestaande hiërarchie te veranderen en alle kinderen gebruik te laten maken van de populaire stukken van het schoolplein. Voor de docent is een actieve rol weggelegd. Het verschil is daarmee dat scholen het schoolplein niet alleen anders indelen, maar ook organiseren.’

Volgens de formule van PLAYgrounds wordt het schoolplein ingedeeld in speelvelden. Aangepaste pauzeroosters zorgen ervoor dat er minder kinderen tegelijkertijd naar buiten gaan. Elke klas krijgt een eigen tas met spelmateriaal dat aansluit bij de leeftijd, zoals springtouwen of jongleerspullen. Tijdens de gymlessen is er extra aandacht voor spelletjes en sporten die de kinderen vervolgens in de pauze kunnen doen. Het blijkt dat dit effect heeft: kinderen doen dezelfde spelletjes daarna op het schoolplein.

Mirka Janssen onderzocht de resultaten op vier scholen in Amsterdam Nieuw-West, en gebruikte vier andere scholen waar het programma niet draaide als controle. Met observaties op het schoolplein was vooraf gemeten dat slechts zo’n 40% van de kinderen voldoende beweegt op het schoolplein. Op scholen met PLAYgrounds werd dat bijna het dubbele.

Meer info: Hogeschool van Amsterdam.
 

Lees meer...

Bijna één op de drie kinderen heeft te weinig vitamine D. Dat schrijven onderzoekers van het Erasmus MC in het aprilnummer van het wetenschappelijke tijdschrift The Journal of Nutrition. Bij kinderen van onder andere Marokkaanse, Surinaamse, Turkse en Kaapverdische afkomst gaat het zelfs om meer dan de helft van de kinderen. Kinderen met een vitamine D tekort eten minder gezond, kijken meer televisie en spelen minder buiten dan kinderen met gezonde vitamine D waarden. 

Lees hier het persbericht van Erasmus MC.
 

Lees meer...

Het speelgedrag op speelplaatsen wordt beïnvloed door de ondergrond en de aanwezigheid van speeltoestellen. Dat blijkt uit Deens onderzoek. Kinderen blijken het meest actief te spelen op plekken met een ondergrond van gras. Op een ondergrond van asfalt of beton zijn ze veel minder actief. De aanwezigheid van speeltoestellen heeft een positieve invloed. Het onderzoek werd uitgevoerd door Henriette Bondo Andersen van de University of Southern Denmark. Kijk hier voor meer info.
 

Lees meer...

Natuurpedagoog Kees Both schreef voor tijdschrift De Wereld van het Jonge Kind een artikel over de Nijmeegse groene BSO Struin. Hij ziet Struin als een belangrijke inspiratiebron voor BSO's die natuur een centrale plaats willen geven in de kinderopvang.

Kijk hier voor meer informatie over Struin en voor het artikel van Kees Both.



 

2015 is het Jaar van de Ruimte. Onder het motto ‘Wie maakt Nederland?’ organiseren de initiatiefnemers (een breed scala van maatschappelijke organisaties) een maatschappelijk, politiek en professioneel debat over de ruimtelijke toekomst van Nederland. Iedereen die dat wil, mag daarbij thema’s en ideeën voor onze toekomstige leefomgeving aandragen. Het Platform Gezond Ontwerp neemt die uitdaging aan en zet ‘Nederland Gezond Land’ op de agenda. ‘We zijn ervan overtuigd dat gezonde steden de toekomst hebben.’

De organisatie van het Jaar van de Ruimte wil vooruit kijken tot 2040. Wat zijn de ontwikkelingen op het gebied van de internationale economie, technologie, grondstoffen, energie, milieu, verstedelijking, arbeid, vervoer, voedsel en wonen? En wat zijn van dat alles dan de gevolgen voor de ruimtelijke inrichting van Nederland? Om het debat daarover op gang te brengen, zijn voor het Jaar van de Ruimte om te beginnen vijf toekomstperspectieven geschetst: Nederland Productieland, Nederland Netwerkland, Nederland één grote stad?, Nederland Kringloopland, Nederland GroenBlauw.

Gezonde steden hebben de toekomst
‘Wat we in die toekomstperspectieven misten, was de aandacht voor een gezonde leefomgeving’, vertelt Dayenne L’abée. Ze werkt bij NISB, maar spreekt in dit geval namens het Platform Gezond Ontwerp. Behalve NISB zijn daarin ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), de GGD en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vertegenwoordigd. Het platform is ervan overtuigd dat gezonde steden de toekomst hebben. Een gezonde stad beschikt onder andere over water, groene parken, toegankelijke speelplekken, veilige fietspaden en andere voorzieningen die mensen uitdagen om te bewegen en te ontspannen. ‘Zo’n omgeving draagt bij aan het terugdringen van belangrijke risico’s voor de volksgezondheid, zoals overgewicht, dementie, depressiviteit en harten vaatziekten’, zegt L’abée. ‘Maar een gezonde leefomgeving maakt een stad ook aantrekkelijk voor economische vestiging en om te wonen. Bovendien gaat de ontwikkeling van gezonde steden volgens ons hand in hand met actuele thema’s als water en klimaatadaptatie, verstedelijking en verduurzaming van steden.’

Meer informatie: www.platformgezondontwerp.nl.
 

Lees meer...

Depressieve kinderen vertonen spelkenmerken die hen onderscheiden van niet-depressieve kinderen. Spelobservatie kan worden ingezet om te bepalen of sprake is van een depressie. Dat concludeert Annemieke Mol Lous in het onderzoek waarop zij 15 december promoveert aan de Radboud Universiteit.

Vergelijking van spelgedrag van depressieve en niet-depressieve kinderen laat zien dat depressieve kinderen significant minder spelen dan kinderen die niet depressief zijn. Ook is hun spelgedrag meer gefragmenteerd: ze veranderen vaker van gedrag. Leerkrachten geven aan dat kinderen met risico op depressieve klachten tijdens hun spel meer negatieve emoties laten zien, minder troost zoeken en bieden, en meer negatieve interacties met leeftijdsgenoten vertonen.

Het onderzoek laat verder zien dat ongetrainde basisschoolleerkrachten in staat zijn om aan de hand van een spelobservatievragenlijst verschillen in spelgedrag te signaleren tussen kinderen met risico op depressieve klachten en kinderen zonder risico daarop, op basis van dagelijkse observaties gedurende drie maanden.

Bron: NJI.

 

Lees meer...