Nieuws uit de werkvelden

De Raad van State is kritisch over het initiatief-wetsvoorstel 'Wet Buitenspeelruimte' van SP-kamerlid Agnes Kant. Volgens de Raad is er geen sprake van een structureel landelijk speelruimteprobleem en ligt de verantwoordelijkheid voor het oplossen van knelpunten bij de gemeentebesturen. Kant is het daar niet mee eens. Volgens haar zijn er maar weinig gemeenten die uit eigen beweging zorgen voor voldoende speelruimte.

Uit het advies van de Raad van State van 8 september 2003 blijkt dat de Raad weinig heil ziet in een landelijke speelruimtewet. Volgens het adviescollege blijkt uit de Memorie van Toelichting van het initiatief-wetsvoorstel niet dat er sprake is van een duidelijk omlijnd structureel landelijk probleem: 'Voorzover er knelpunten zijn, doen deze zich lokaal voor. Derhalve ligt er naar het oordeel van de Raad een taak voor de betrokken gemeenteraadsbesturen. Indien uniformering van kwantitatieve normen voor buitenspeelruimte
wenselijk wordt geacht, zou de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voorlichting kunnen geven of in een model voorzien. Regeling bij formele wet is een instrument dat minder goed past bij heersende opvattingen over decentralisatie en deregulering.'

Kant is het niet met dat standpunt eens, blijkt uit haar reactie die bij het advies van de Raad van State is gevoegd: 'Het gros van de Nederlandse gemeenten hanteert oudere normen, van 1% à 2% formele speelplekken binnen de gemeentegrens, terwijl de NUSO in 1999 3% heeft geadviseerd. Op basis van de ervaring dat slechts enkele gemeenten sinds 1999 het advies van de NUSO hebben opgevolgd, heeft de indiener er geen vertrouwen in dat voorlichting of een model van de VNG er wel toe leidt, dat gemeenten meer ruimte reserveren voor speelruimte.'
Kant vindt ook niet dat een landelijke speelruimtewet in strijd is met het streven naar decentralisatie en deregulering. Zij wijst erop dat het wel meer voorkomt dat er landelijke normen worden gesteld aan zaken die op lokaal niveau worden uitgevoerd. Daarbij noemt zij de ruimte-normen voor de kinderopvang en het onderwijs.

 

Lees meer...

Opgroeien in een achterstandswijk is gerelateerd aan gedragsproblemen en kan leiden tot een uitbarsting van problemen bij de overgang naar adolescentie. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit van Maastricht op basis van een onderzoek in Rotterdam. Het effect staat los van de sociaal-economische status van het gezin. De openbare gezondheidszorg zou meer aandacht moeten schenken aan de omgeving waarin een kind opgroeit.

J. Schneiders e.a.: ‘Neighbourhood socioeconomic disadvantage and behavioural problems from late childhood into early adolescence’. In: Journal of Epidemiology and Community Health 2003; 57: 699703.

Een samenvatting van het onderzoek staat op www.jech.com

 

Lees meer...

Dagblad Trouw publiceerde op 2 juni 2000 een artikel van Lia Karsten, waarin zij ingaat op de bedreigingen van buitenspel en daarvoor een aantal remedies aandraagt.
In het artikel stelt Karsten dat een afname van het aantal buitenspelende kinderen en een toename van de verkeersdrukte samen de buitenspeel-mogelijkheden van alle kinderen bedreigen.


 

Samenvatting
Karsten noemt twee ontwikkelingen die het 'gewone' buitenspelen bedreigen:

a. Kindcultuur wordt geïnstitutionaliseerd
Steeds meer kinderen bezoeken na schooltijd een of meer clubs. Daarnaast zal het aantal kinderen dat buiten schooltijd wordt opgevangen (brede school, buitenschoolse opvang, overblijf) in de nabije toekomst fors toenemen. Volgens Karsten betekent dit dat de naschoolse vrije tijd van kinderen steeds meer in tijd en ruimte wordt vastgelegd en zich vaker zal afspelen buiten het openbare domein. Dit raakt volgens haar alle kinderen. Want het tast de grootste aantrekkingskracht van het buitenspelen - het ontmoeten van andere kinderen - aan.

b. De strijd om ruimte wordt steeds heviger.
Karsten: 'Verkeer neemt een groot deel van de openbare ruimte in beslag en legt de zelfstandige bewegingsvrijheid van kinderen aan banden. Dit is niet alleen merkbaar in de oude wijken, maar juist ook in nieuwe, recent opgeleverde buurten. De 'traditionele' speeltuin ontbreekt daar, terwijl de openbare buitenruimte beperkt is en de speelruimte geminimaliseerd.' Volgens haar is het nieuwe woongebied in het Amsterdamse Oostelijk Havengebied hiervan het absolute dieptepunt.

Remedies
Volgens Karsten moet er in de eerste plaats meer ruimte komen. Maar dat is niet voldoende. Integendeel: als er teveel speelruimte is, wordt de kans om andere kinderen te treffen kleiner. Een kwalitatief hoogwaardige inrichting blijkt een voorwaarde voor een goed functionerende speel- en ontmoetingsplaats.
Diversiteit van en hiërarchie tussen de aangeboden plekken en routes is volgens Karsten van groot belang: 'Het gaat om het creëren van totempalen voor de jeugd: plekken in het openbare domein waar zij elkaar kunnen ontmoeten, waar zij met elkaar kunnen spelen, waar zij dingen kunnen doen die thuis niet mogelijk zijn.'

Kartsen pleit verder voor een onderzoeksschool die expertise gaat ontwikkelen over de bijdrage van kinderspel aan de stad. Karsten: 'Op dit moment is er geen onderzoeksschool in Nederland die zich hier expliciet mee bezighoudt. Onderzoek naar het tijd-ruimtelijk gedrag van kinderen zou duidelijk kunnen maken wat de waarde is van [...] kinderen in het openbare domein, voor de ontwikkeling van kinderen zelf én voor het functioneren van [...] stedelijke openbaarheid.'

Dr. ir. Lia Karsten is als sociaal geograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en heeft daarnaast een eigen onderzoek en adviesbureau.
U kunt het volledige artikel opvragen via de rubriek Reageren op deze site.

Lees meer...