logo RvdJ  
   
Onderwijs & Kinderopvang
Ontwikkelingspsycholoog Steven Pont: 'Pas op voor de hyperouder'

Geplaatst op:
16 januari 2008

sponsors:

Jantje Beton

VVN
16 januari 2008

'Hyperouders' (ouders die overbeschermen) zien de wereld vooral als een plek waartegen hun kind beschermd moet worden. Maar door het daarop volgende micromanagement van het leven van het kind, is er bijna geen plek meer waarin het vrijuit kan experimenteren met nieuw gedrag. Dat schrijft free-lance ontwikkelingspsycholoog en gezinstherapeut Steven Pont in de Volkskrant van10 januari 2008:

Drie scènes uit de moderne kinderopvang: ouders die uit irrationele angst voor ziekte niet willen dat hun kind ooit in de zandbak speelt, ouders die dagelijks minutieus vertellen hoe er met hun kind dient om te worden gegaan en ouders die op hoge poten verhaal komen halen als hun peutertje ruzie heeft gehad. Het lijkt moeilijk voor te stellen, maar er is een groeiend aantal ouders zo overbeschermend ten opzichte van hun kind, dat daardoor langzaamaan nieuwe opvoedingsproblemen ontstaan. Deze kinderen krijgen dagelijks zo’n grote portie ouderlijke aandacht over zich uitgestort, dat ze er uiteindelijk geestelijk ongezond van worden.

Ouders die overbeschermen, ik noem ze hier verder hyperouders, zien de wereld vooral als een plek waartegen hun kind beschermd moet worden. Maar door het daarop volgende micromanagement van het leven van het kind, is er bijna geen plek meer waarin het vrijuit kan experimenteren met nieuw gedrag. Ook in Nederland zijn al kinderdagverblijven waarbij ouders live via on-line camera’s elke minuut kunnen kijken hoe het met hun kind gaat.

 

Deze nieuwe hyperouders zijn met name actief in twee levensfases van hun kind, in de kinderopvang-leeftijd en in de puberteit. Dat is niet zo raar; het zijn ook de twee periodes waarin het meest wordt geëxperimenteerd en er de meeste fouten moeten worden gemaakt. En precies het maken van die fouten proberen overbeschermende ouders te voorkomen. Wat ze niet beseffen is dat ze daarmee belangrijke ontwikkelingen van het kind in de wielen rijden, bijvoorbeeld dat kinderen een verband moeten leren leggen tussen het maken van een fout en de consequenties van die fout. Als een kind uit een klimrek valt en zijn knie schaaft, dan zal het volgende keer beter opletten. Wanneer het vallen echter geen pijnlijke consequentie heeft, loopt het kind het gevaar het gevaar niet meer te leren zien. In Duitsland zijn er al verzekeringsmaatschappijen die investeren in risicovolle buitenruimtes voor kinderdagverblijven, omdat door alle (schijn)veiligheid van de huidige buitenruimtes kinderen tot zulke onbeholpen volwassenen uitgroeien, dat ze later een enorme kostenpost voor hun verzekering worden.

 

 

Voor degenen die denken dat dit in Nederland een non-probleem is, heb ik een indicatief onderzoek gedaan bij een groep van 58 professionals in de kinderopvang, bestaande uit 43 pedagogisch medewerksters en 15 managers. Volgens de pedagogisch medewerksters bestaat 19% van de ouders waarmee ze werken uit over-beschermers. De kinderen van deze ouders voelen zich volgens deze professionals daardoor onzeker, snel schuldig, zenuwachtig, onzelfstandig, verlegen en worden ze belemmerd in hun ontwikkeling. De managers zien in 17% van de ouders over-beschermers, met soortgelijke symptomen; bangelijkheid, verminderde motorische ontwikkeling, minder durven en een gebrek aan algemene zelfredzaamheid. Pedagogisch medewerkers en management maakten zich overigens ‘slechts’ in respectievelijk 9% en 13% van de gevallen zorgen over onder-bescherming, het klassieke verwaarlozen dus.

 

 

Michael R. Liebowitz, professor psychiatrie aan de Columbia University, ziet de beschermingsdrang  van de ouders ook op latere leeftijd een probleem van het kind worden. ‘Overprotectiveness brings out the worst in kids." stelt hij, want een groot gedeelte van zijn patiënten met paniekstoornissen blijken kinderen van hyperouders.

 

De gevolgen voor kinderen zijn tweeledig. Veel kinderen van hyperouders krijgen een zelfbeeld waarin ze ofwel gaan geloven dat ze niets zelf kunnen, ofwel ze gaan geloven dat ze onoverwinnelijk zijn. Het ‘applausje voor jezelf’ van meneer Kaktus waarmee ze als kleuter groot zijn geworden, houden ze nog tot diep in de volwassenheid vol. Doordat ze door het hyperouderschap van hun ouders geen blauwe plekken hebben opgelopen, noch op hun lijf, noch op hun ziel, hebben ze een verstoord zelfbeeld gekregen. Hun ouders hebben de fout gemaakt zich niet in te zetten voor het begeleiden van de moeilijkheden van het leven, maar vooral op het vermijden van die moeilijkheden. Hyperouders redden hun kind nog voordat het in problemen is. En dat is precies het probleem.

 

Ouders die overbeschermen doen dat overigens niet gratis. De uitruil is dat ze het levenspad van hun kind weliswaar naadloos plaveien, maar daarvoor moeten de kinderen vervolgens wel grote prestaties leveren. Er heerst bij sommige hyperouders daardoor soms ook angst voor het schijnbaar nutteloze, zoals (ruw) spelen. Prestatie staat voorop. In Amerika zijn nu al 40.000 scholen die het speelkwartier hebben afgeschaft; het wordt te gevaarlijk gevonden en bovendien beschouwd als verloren tijd, want het gaat van de lestijd af. Beschermend ja. Maar als ze dan eenmaal op de felbegeerde universiteit zitten, beginnen de problemen pas goed.

 

 

Op de universiteit Harvard maakt dr. Steven Hyman, de academische baas aldaar, zich op het ogenblik grote zorgen. Intellectueel zit het allemaal wel goed met de nieuwe aanwas, maar de mentale weerbaarheid van nieuwe studenten is vaak te laag voor een glansrijke loopbaan. Ze zijn door hun ouders emotioneel zo uit de wind gehouden, dat ze bij lichte tegenwind al omvallen. Ze kennen alle nabijgelegen zonnestelsels uit hun hoofd, maar een ruzie kunnen ze niet oplossen. Ze krijgen meer en sneller dan ooit een acute ‘anxiety-attack’ als er zich problemen voordoen. Zijn analyse is dan ook niet dat de problemen zo veranderd zijn, maar dat het de huidige studenten aan volwassen oplossingstrategieën mankeert. 

 

Maar we zien dit niet alleen bij studenten. Ook veel andere jongeren willen zo lang mogelijk jong blijven. Ook al zijn ze lichamelijk volwassen, ze blijven bewust kinderlijk in hun gedrag. In 1960 vertoonde 65% van de mannen en 77% van de vrouwen die 30 jaar oud waren volwassen gedrag. In het jaar 2000 was dat nog maar 31% voor de mannen en 46% voor de vrouwen.  Daar zijn nog wel een aantal andere factoren, zoals welvaart, verantwoordelijk voor, maar we moeten het aandeel van de opvoeding hierin niet onderschatten. Kinderen verlangen door hun hyperouders helemaal niet meer naar de volwassenheid.

 

Conclusie; het vermijden van kwetsbaarheid als uitgangspunt van de opvoeding, maakt kinderen juist kwetsbaar.  En zo kweken hyperouders uiteindelijk wat ze het meeste vrezen; kinderen die het in hun volwassen jaren moeilijk hebben.

 

Steven Pont